Into great Silence - Kardinaal Danneels over Into Great Silence


Een gesprek over ‘Into Great Silence’, door Marijke de Roeck, licentiate filosofie en literatuur.
(tekst vrij te gebruiken ; voor foto’s: contacteer Ellen Soors e.soors@abc-distribution.be of 03/231.09.31)

Regisseur Philip Gröning verbleef enkele maanden in de befaamde abdij van de kartuizerorde ‘La Grande Chartreuse’ in de Franse Alpen. Hij maakte er een film over het merkwaardige en fascinerende leven van de kartuizermonniken. ‘Into Great Silence’ is een strakke, bijna compleet stille meditatie over het kloosterleven in een heel pure vorm.
Kardinaal Danneels zag de film. We hadden met hem een gesprek over het leven van de kartuizermonniken, over de orde, over stilte, overgave, ascese en over ‘Into Great Silence’.

Als kardinaal kent u de verschillende kloosterordes van de rooms-katholieke Kerk. Wat is er zo bijzonder aan de kartuizerorde?
De kartuizerorde is de strengste kloosterorde binnen de rooms-katholieke Kerk en tevens de meest authentieke. In duizend jaar tijd is ze nooit hervormd geweest.
Het leven van een kartuizermonnik is hard en vergt een enorm sterke innerlijke kracht. Terwijl de broeders het zware werk, de handenarbeid verrichten buiten hun cel brengen de priestermonniken het grootste deel van hun leven in afzondering en stilte door. Er is geen andere kloosterorde waar deze afzondering zo sterk en consequent wordt beleefd. De kartuizermonnik leeft alleen voor God. Ze hebben, in vergelijking met andere kloostermonniken, geen enkele ‘praktische’ missie. Ze prediken niet, organiseren geen retraites voor buitenstaanders, geven geen onderricht, moeten niets publiceren. Hun gebeden en zelfstudie zijn enkel gericht naar communicatie met God. Dit alles in volstrekte anonimiteit. Als er toch al eens een tekst gepubliceerd wordt is dat naamloos, ondertekend met “een kartuizer”.
Er bestaat geen hiërarchie in het klooster, iedereen is er gelijk.
Indrukwekkend, hoewel het beeld niet in de film voorkomt, zijn de kerkhoven van de kartuizers. Eenvoudige houten kruisjes, zonder naam. Geen versieringen, geen foto’s, geen zerken, zelfs bijna niet onderhouden. Het is tekenend voor de levenswijze van de kartuizers: eenvoud en nederigheid. Ze zijn als kaarsen die opbranden voor God. Alles wat is en wat ze zijn, zit in de ziel.
Het harde ascetische leven van een kartuizermonnik is gebonden aan strikte reglementen. Toch beschikken ze over de vrijheid om ten allen tijde de orde te verlaten. Bovendien kunnen de andere monniken beslissen dat de novice beter de orde verlaat. Het kan tot zeven jaar duren vooraleer een novice zijn definitieve gelofte aflegt, ook daarin wijken ze van de meeste andere kloosterordes.
Dit leven van zuivere contemplatie vergt een bijzondere roeping, niet iedereen is daarvoor in de wieg gelegd.
Ongeveer 80% van de novicen verlaat het klooster omdat het te zwaar is. Het verstoorde bioritme bijvoorbeeld ten gevolge van de drie à vier uur durende nachtofficie is voor sommige monniken echt een probleem.
Doch wat bijzonder is: diegenen die blijven voelen zich, ondanks de afzondering en het leven in eenzaamheid en stilte, helemaal niet eenzaam, noch ‘opgesloten’ in hun cel. Integendeel, de onthechting van de materiële wereld geeft hen een gevoel van geluk en vrijheid.

Een ‘bijzondere roeping’ zegt u, hoe ‘anders’ is die in vergelijking met uw roeping of die van andere priesters?
Een roeping als die van mij of andere katholieke priesters heeft een meer praktische betekenis. Wij willen langs de weg van het geloof iets betekenen voor de maatschappij en de mensheid. Niet dat de kartuizermonniken geen belang daaraan hechten maar zij worden ‘geroepen’ om via zuivere contemplatie een leven te leiden volledig in functie van God. Zij leven voor God en God zorgt voor de mensen.

Een vaak terugkerend citaat (uit het evangelie) in de film is “Wie niet alles opgeeft wat hij heeft kan niet mijn volgeling zijn.”
De kartuizers interpreteren dit ‘alles’ zeer letterlijk. Is dit dan de meest authentieke manier, de meest juiste weg om religie in haar puurste vorm te beleven?

De kartuizers interpreteren het hele evangelie letterlijk. En voor hen is alles opgeven inderdaad “alles” – inclusief hun eigen individualiteit en hun persoonlijke vrijheid.
Alles opgeven lijkt voor de meeste mensen een onmogelijke opgave maar het is veel minder moeilijk voor wie ervan uitgaat dat hij ‘alles’ gekregen heeft. Niets behoort ons zomaar toe, alles hebben we ontvangen, gekregen van de schepper, van God.
Dat verklaart trouwens het immense respect dat ze tonen voor zelfs de meest banale materiële dingen. In de film zien we bijvoorbeeld hoe iedere knoop, elk lapje stof opnieuw gebruikt wordt. Niets wordt weggegooid want alles is een geschenk van God.
Of dit nu de meest juiste weg is, dat is een andere kwestie. In het geloof zijn er geen beperkingen. Er is wel een ‘vloer’ maar geen ‘plafond’.
Iedereen kan zijn geloof belijden volgens zijn eigen mogelijkheden.
Maar er is wel een minimum, men moet bereid zijn om iets op te geven wil men een volgeling van Christus zijn.
Voor de priester is dat bijvoorbeeld het celibaat, hij geeft een gezin (vrouw en kinderen) op en daarmee ook een stuk individuele vrijheid.
Voor de kartuizermonnik ligt het plafond hoger, hij geeft zijn volledige publieke leven op, zijn individuele vrijheid, materiële bezittingen,… Net zoals een boeddhistische monnik kiest hij voor volledige onthechting. Maar nogmaals; omdat het binnen zijn eigen mogelijkheden ligt.

Hierbij aansluitend: de kartuizerorde werd opgericht gedeeltelijk vanuit een onvrede ten overstaan van de welvaart en de luxe van de katholieke Kerk. Leeft die kritische houding vandaag de dag nog steeds bij de kartuizers?
De kartuizers zijn inderdaad kritisch maar ze zijn kritisch tegenover de hele wereld. Maar bijzonder is dat ze kritisch zijn zonder boze grimassen. Ze wijzen ons niet met de vinger, nee, ze zeggen gewoon niets. In hun nederigheid en eenvoud en door hun stilzwijgende aanwezigheid houden ze de mensheid een spiegel voor. Door hun doorgedreven consequente levenswijze zijn ze het geweten van de mensheid en van de katholieke Kerk. Bij hen en door hen worden we geconfronteerd met de ‘laatste waarheid’ van het zuivere geloof.

Regisseur Philip Gröning zegt over ‘Into Great Silence’: “in plaats van een weergave te zijn van het kloosterleven werd de film zelf een klooster”. Hoe moeten we deze uitspraak begrijpen? Heeft u het zelf ook zo ervaren?
Naast de curiositeit dat er tijdens het lange bestaan van deze kloosterorde nooit een buitenstaander dit leven van zo dichtbij heeft mogen meemaken, laat staan dat er ooit over geschreven werd, gefotografeerd of gefilmd werd is ‘into Great Silence’ een bijzondere film.
Net zoals de twee novicen hun intrede doen in deze gesloten wereld en zich volledig overgeven aan het levensritme en de strikte regels van het kloosterleven, zo ook doet de camera - als buitenstaander, als nieuw element – zijn intrede. En samen met de camera ook de kijker. Maar onze intrede is pas geslaagd en vol te houden als we ons overgeven aan het ritme van de film. De film doet geen enkele concessie, past geen kunstgrepen toe, geen enkele toevoeging op gebied van belichting, geluid, commentaren,…
Het tempo van het monnikenleven is tevens het tempo van de film: alles wat we te zien krijgen duurt de tijd die in het in werkelijkheid duurt. Het knippen van een stuk stof in het naaiatelier, het vullen van een karaf water.
Het leven van een kartuizermonnik bestaat uit herhaling: steeds dezelfde gebeden, dezelfde strikte tijdsindeling, dezelfde rituelen. Via herhaling naar verdieping.
Repetitiviteit tekent eveneens ‘Into Great Silence’. Citaten die regelmatig terugkeren, het dopen van de handen in het wijwatervat, het terugkeren van steeds dezelfde rituelen,… zonder enige toegeving aan het geduld van de 21ste eeuwse kijker krijgen we steeds dezelfde beelden opnieuw te zien. Ook de kijker wordt door de herhaling gestimuleerd om intenser te kijken.
Een prachtige vondst wat betreft tijdsbeleving vond ik het weergeven van de vier seizoenen. Voor de monniken die het grootste deel van hun leven in een cel doorbrengen waar de zon eigenlijk maar van mei tot eind september binnenschijnt betekenen de seizoenswisselingen veel. In het eeuwige repetitieve patroon zijn de seizoenen dan ook een belangrijk gegeven.
Alles in het kartuizerleven draait om essenties. De strenge ascese en de stilte helpt hen de ziel af te zonderen en in hun contemplatie niet gestoord te worden door allerlei wereldse en materiële bijkomstigheden.
Dit accent op essenties is tevens kenmerkend voor de beeldtaal in de film.
Een trap is een trap.
Parket is parket, en dat kraakt.
Duisternis is donker en wordt dan ook niet anders voorgesteld, geen extra belichting alleen het eenvoudige vlammetje van de kaarsen die er branden.

De camera toont ons die essenties waardoor we als kijker de pure schoonheid zien van dingen waaraan we normaal gezien geen belang meer hechten. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de simpele schoonheid van de fruitschotel in de cel van één van de novicen.
En dan is er uiteraard de stilte. De regisseur respecteert de stilte en voegt geen enkel artificieel geluid toe, geen commentaarstem. Ieder geluid krijgt daarom betekenis. Iets waar wij als moderne mens niet meer bij stil staan.
Het enige moment waarop we in de film, buiten de gebedsmomenten en de gezamenlijke wandelingen, een menselijke stem horen is wanneer een van de broeders met de katten praat. Een zeer mooi moment.

Wat we zien krijgen staat haaks op alles wat we als 21ste eeuwse mens kennen en verwachten: snelheid, materiële welvaart, carrière, individualisme, vrijheid, informatie,…
Is ‘Into Great Silence’ een moeilijke film?

Ja en nee. De film kan bij sommigen op weerstand stuiten omdat hij veeleisend is. Maar ik vergelijk hem met een okkernoot: de bast is hard en bitter maar eens je aan de binnenkant zit is de okkernoot lekker. Men moet er willen doorbijten, er zich aan overgeven. De film is belangrijker dan je eigen smaak of goesting. En afstandelijkheid maakt hem dood. Dus de enige houding om deze merkwaardige en fascinerende film te smaken is overgave.
Het vraagt een zekere opoffering, we moeten onze eigen moderne tijdsbeleving opofferen. Ons overgeven aan de stilte van de duisternis in de bioscoop, geen ritme, geen beats.
Het is een oefening in vertraging, op zich niet gemakkelijk maar zeker de moeite waard om het te proberen.

Tenslotte: wij als leken hebben nu de kans om via deze film even binnen te dringen in de wereld van de kartuizers en daardoor even stil te staan bij bepaalde essentiële vragen over het leven. Dus dat is zeker nuttig. Maar wat is het ‘nut’ van een dergelijk extreem contemplatief leven voor de mensheid?
Uiteraard is een contemplatief, zuiver geestelijk leven niet te beschrijven in termen van ‘nut’. Je zou kunnen stellen dat de kartuizerorde een groot vraagteken is voor de mensheid. Het feit alleen al dat we ons de vraag stellen ‘waarom zijn ze daar?’ stimuleert ons om zelf het antwoord te zoeken. Hun bestaan zelf zet ons aan het denken. En bovendien is het niet zo dat niemand van hun bestaan afweet, elke dag passeren er mensen langs het klooster ‘La Grande Chartreuse’, en ze vragen zich af “wat doen die monniken daar”, “hoe leven ze”, “waarom maakt iemand die keuze”… ze horen de klokken luiden, ze weten dat ze er zijn. En dat zet hen aan het denken over ‘het waarom’.
Dat is trouwens ook het mooie aan de film, dat hij zelf de antwoorden niet tracht te geven, dat het geen ‘verklarende documentaire’ is maar ons de kartuizerorde als vraagteken toont.



Meer Into great Silence nieuws:
-Binnenkort: Into Great Silence 2-disc edition!
-And the winner is... Into Great Silence
-Into Great Silence op DVD
-Into Great Silence krijgt Special Jury Prize op Sundance

Ga naar de dvd »

Nu te koop